Van Bovec naar Trieste

Van Bovec naar Trieste

Onder het gemopper van Harro (“waarom moeten we de bergen uit en naar die stomme zee van jou”) en uitgezwaaid door de enorm vriendelijk receptionist verlaten we Bovec rond half 10. Het is weer mooi weer, al zijn er wel meer wolken. Vamanos!

Eerste stop: Kobarid. Daar hebben we namelijk nog niet de begraafplaats van 7000 (!) Italiaanse soldaten bezocht. We rijden een slingerweggetje omhoog en vinden het imposante monument (een soort oplopende heuvel, met bovenop een kerkje) uitkijkend over de vallei. De namen van alle gevallenen waarvan iemand de naam nog wist staan op de muren. De puntjes voor een achternaam zijn schrijnend: was er niemand die van deze jongen zijn voornaam nog wist?! De platen die verwijzen naar bijna 2000 onbekende soldaten zijn nog erger. Niemand weet meer wie het zijn… Het kerkje bovenop de heuvel is gelukkig sober gehouden. We wandelen in stilte alle namen langs en vluchten dan voor een enorme schoolklas.

We rijden verder. Eerst langs de Soca rivier, maar uiteindelijk slaan we af en rijden min of meer parallel aan de grens met Italië naar het plaatsje Ajdovskina. Daar zou een Romeins fort moeten zijn! Het plaatsje vinden we al snel, maar waar is dat fort…? We rijden er twee keer langs voor we door hebben dat dat stukje muur dat we zien en die ene toren onderdelen van het fort zijn! Ai… We moeten we eigenlijk wel om lachen. We drinken een kopje koffie, kopen bij een bakkertje een paar verse broodjes (zelfs zonder beleg zalig!) en besluiten dan dat we het helemaal hebben gehad met Slovenië!

 

… Ok, dat is niet waar, maar vanavond slapen we in Trieste, Italië. We rijden via de snelweg en via een route hoog langs de bergen en via een tunnel naar Trieste. daar laat Phoney ons dingen doen die we zelf niet hadden bedacht (HOE steil is die weg?!), maar ze brengt ons wel in één keer naar Hotel Milano. We maken nog een extra rondje om even de auto neer te kunnen zetten en Karin regelt de sleutel van een parkeergarage om de hoek. Daar kunnen we de auto kwijt en één blik op de volle, chaotische straten is voldoende… Dat is een goed idee!

We brengen de tassen naar de kamer (simpel, maar functioneel en redelijk stil, zeker voor een Italiaanse stad) en dan willen we dwalen! We pikken een kaartje op bij de aardige dame achter de balie (die ook al Engels spreekt: wat werkt iedereen toch lekker mee!) en gaan op pad. We volgen een toeristische route op de kaart en die brengt ons al binnen 5 minuten hartje centrum. We wandelen langs het water (Karin haalt haar hart op en zelfs Harro moet toegeven dat het “best lekker” is) en bekijken de straatjes (lekker veel autovrij), megalomane pleinen (wat zijn die Italianen toch goed in over-the-top pleinen en gebouwen)  en wandelen daarna de heuvel op. Want ja: Trieste is wel steil tegen de heuvels opgebouwd. Als we puffend boven komen blijkt het de moeite waard. We vinden er de resten van fort San Giusto. 

Als we allebei een fles drinken hebben leeggedronken (het is warm: de zon brandt en het een graadje of 25) wandelen we er een rondje omheen en betalen daarna elk een euro om op de muren te kunnen kijken. Dat is leuk en we klikken enthousiast plaatjes. 

 

Daarna vinden we bij het naar beneden lopen de restjes van een Romeins amphitheater. Het staat nergens aangegeven (ook niet online), maar is behoorlijk compleet. In Nederland zou het DE bezienswaardigheid van de stad zijn, maar we gaan er van uit dat de gemiddelde Italiaanse stad met zoiets als dit niets durft te concurreren met de rest van Italië. Verschil moet er zijn. Tevreden haalt Harro een ijsje bij Marco, de beste ijsboer van Trieste (vindt niet alleen hij, maar het hele Internet) en daarna gaan we op zoek naar Etrusk. Deze wijnbar zou vlak in de buurt moeten zitten en na even postduiven blijkt dat gelukkig zo te zijn. Een enorm vriendelijke en ook al vlekkeloos engels sprekende ober helpt ons aan advies, zalige wijn, hapjes, wat water… We genieten en laten het ons heerijk aanleunen. Harro drinkt wit uit Toscane, maar Karin is positief verrast over de kwaliteit van de lokale witte wijnen. De lokale hammies, salamies en kazen zijn ook niet bepaald vies (we eten er onze vingers bij op) en concluderen maar weer eens dat dit toch wel echt een lekker en leuk onderdeel van de vakantie is.

Als de over naar huis gaat (zijn dienst zit er op) komt hij even afscheid nemen, met een hand en een knipoog voor Karin. De nieuwe ober heeft er zo weinig kaas van gegeten dat hij nogal een teleurstelling is, zeker vergeleken met zijn voorganger, dus na nog één drankje houden we het voor gezien. we wandelen even naar de waterkant, waar we een plaatje van een ondergaande zon schieten en schrikken ons vervolgens ongelukkig van een enorme knal. Een soort vuurwerkknal, die de rest van de avond elke 10 tot 30 minuten zal klinken (met onvoorspelbare intervallen). Het is ons volkomen onduidelijk waarom, maar we zijn diep onder de indruk van de herrie die het maakt.

Als we door de stad wandelen concluderen we dat het echt een leuke Italiaanse stad is. Het is half 9 en  begint druk te worden, overal zijn barretjes en restaurantjes… Als we een lekkere hangbank zien op een terrasje kijken we elkaar aan en binnen 0.3 seconden hebben we de plaatsen ingepikt. We bestellen nog wat drinken (Harro een bier en Karin een gin-cocktail) en hopla de tafel wordt weer volgezet met hapjes. Dat lost onze laatste snacktrek op. Uiteindelijk gaan we zeer tevreden rondt half 11 naar het hotel waar we tevreden in slaap vallen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.